Een stukje geschiedenis
De geslaagde omschakeling van de steenkoolmijn Argenteau-Trembleur tot een site voor toerisme en industrieel erfgoed.
De steenkoolmijn Argenteau-Trembleur ligt op het grondgebied van Blegny, in de Basse-Meuse, ten noordoosten van Luik, in het Land van Herve. Midden op het platteland gelegen, ongeveer honderd meter boven het niveau van de Maas, vormt hij de laatste kolenconcessie van het noordoosten van het Luikse bekken.
Meer lezen
Door de relatief geringe diepte verschilde de mijn van andere ontginningszetels: sommige lagen kwamen zelfs in het omliggende platteland aan de oppervlakte. Het belang ervan ligt vandaag in de originele omschakeling tot toeristisch domein en herinneringsplek, en in het behoud van twee schachten uit twee tijdperken (19e en 20e eeuw). De recentste, nog steeds in gebruik, geeft toegang tot de ondergrondse galerijen op −30 en −60 meter, die voor bezoek openstaan.

I. Historiek

De steenkoolwinning begint in Blegny op initiatief van de monniken van de abdij van Val-Dieu, eigenaars van kolenvelden.
De concessie van Trembleur wordt toegekend aan Gaspard Corbesier: het begin van de industriële ontginning. Zijn nakomelingen verwerven ook de naburige concessie van Argenteau.
De twee concessies, samen 879 ha groot, worden in 1883 samengevoegd. In 1887 wordt de vennootschap in vereffening gesteld en alle activiteit stopt gedurende 30 jaar.
Oprichting van de N.V. Charbonnages d’Argenteau, weldra geleid door de familie Ausselet. De productie bereikt in 1931 al 84 000 ton per jaar, tegenover 10 000 vóór de eerste sluiting.
De Tweede Wereldoorlog vernietigt de toren van Schacht nr. 1 en de wasserij. De winning gaat verder in Schacht Marie, in vertraagd tempo, waarna de toren en de sorteer- en wasinstallatie heropgebouwd worden.
Hoogtepunt van de productie: 232 000 ton met ongeveer 680 personen.
Nadat de Staat in 1975 de subsidies aan de Waalse steenkoolmijnen stopzet, sluiten de laatste Luikse mijnen één voor één. Argenteau-Trembleur is de laatste die sluit.

II. De omschakeling
Na de sluiting
Het verhaal had daar kunnen eindigen en de site had een industriële ruïne meer kunnen worden. Maar de provinciale overheid, in het bijzonder gouverneur Gilbert Mottard, wilde een “herinnering aan de mijnwerker” in de Luikse regio bewaren. Al in 1978 wordt besloten tot de omschakeling tot toeristisch complex en herinneringsplek. De Provincie Luik koopt de site in 1980 en vertrouwt het beheer toe aan een lokale vereniging, de vzw Comté de Dalhem.
Vanaf juni 1980
De eerste bezoekers dalen af in juni, twee maanden na het einde van de ontginning. Enorme problemen met waterafvoer bedreigen het project al snel; in 1983 lost de Franse Gemeenschap ze op door de verhoging van het ondergrondse circuit te financieren. De gezamenlijke actie van de Provincie, de Franse Gemeenschap (in 1994 vervangen door het Waals Gewest, daarna door het Commissariaat-generaal voor Toerisme) en de gemeenten Blegny en Dalhem maakt een geleidelijke ontwikkeling mogelijk.
Vanaf 1990
Vanaf 1990 versnellen EFRO-middelen de inrichting van de site en voorzien deze van een aangepaste ontvangst- en tentoonstellingsinfrastructuur. De drempel van 100 000 bezoekers wordt datzelfde jaar bereikt en is sindsdien nooit meer onderschreden: de mijn ontvangt vandaag tussen 130 000 en 160 000 mensen per jaar.
III. Werelderfgoed van de UNESCO
Sinds 1 juli 2012 is Blegny-Mine, samen met de drie andere grote mijnsites van Wallonië — Grand-Hornu bij Bergen, Bois-du-Luc in La Louvière en Bois-du-Cazier in Charleroi — erkend als UNESCO-werelderfgoed.
Meer lezen
De vier sites stelden samen met het Bestuur Erfgoed en het Waals Erfgoedinstituut een beheersplan op voor de daaropvolgende vijftien jaar. Blegny-Mine is ook lid van de Route du Feu in het Luikse, de vereniging Pays des Terrils, het Toeristisch Huis van het Land van Herve, Wallonie-Belgique Tourisme, het netwerk PISTE en de Europese Route van het Industrieel Erfgoed (ERIH).
Voor meer info: ontdek de site van de grote mijnsites van Wallonië en het UNESCO-dossier.
De vier grote mijnsites
Blegny-Mine
Blegny, près de Liège
Grand-Hornu
près de Mons
Bois-du-Luc
La Louvière
Bois-du-Cazier
Charleroi
Het CLADIC en de collecties
Meer dan 100 000 documenten over de steenkoolindustrie, gratis te raadplegen.
Het CLADIC
Het Centre Liégeois d’Archives et de Documentation de l’Industrie Charbonnière (CLADIC) stelt gratis meer dan 100 000 documenten over de mijnindustrie, en meer bepaald over de steenkoolwinning in het Luikse bekken, ter beschikking van historici, onderzoekers, leerkrachten of ingewijde liefhebbers.
De fondsen, ter plaatse te raadplegen, omvatten naslagwerken, monografieën, affiches, foto’s en archieven, evenals een verzameling van meer dan 80 000 werkboekjes van mijnwerkers die hun loopbaan in de 19e en 20e eeuw weergeven. Af en toe worden lezingen georganiseerd, evenals een animatie voor scholen en de verhuur van een vergaderzaal.
Op afspraak van maandag tot vrijdag van 9 u tot 17 u en op zaterdag van 9 u tot 12 u. Gratis inschrijving. Rue Lambert Marlet 17B, 4670 Blegny — +32 (0)4 237 98 18 — cladic@blegnymine.be
De museumcollecties
De museumcollecties omvatten ongeveer 3 000 objecten: gereedschap, machines en kunstwerken. Tot de opmerkelijke stukken behoren de testmachine voor mijnlampen en de ademhalingstoestellen van Schwann, erkend als Schat van de Federatie Wallonië-Brussel, te bewonderen in het mijnmuseum in Schacht Marie.
Daal af en beleef deze geschiedenis
Trek uw vest aan, zet uw helm op en daal af naar de galerijen op 30 en 60 meter.